Faalangst

Angst bij examens, presentaties, toetsen, spreekbeurten, pta’s of mondelinge beurten maar ook bij andere gelegenheden zoals feestjes, vergaderingen en rij-examen.

Angst kan een grote factor worden waardoor je bepaalde situaties gaat vermijden. In die situaties kan je minder goed met je angst omgaan, waardoor je wellicht minder gaat presteren dan in andere omstandigheden. Je minder snel naar sociale evenementen of gelegenheden gaat, waar je In vergaderingen minder snel je eigen mening of goede voorstellen naar voren brengt. Je kan leren om goed met deze situaties om te gaan. Elk gedrag is aangeleerd en kan dus ook worden afgeleerd. Denk maar aan situaties in het verleden dat je die angst niet had bij bovengenoemde situaties. Middels training en coaching wordt je steeds meer bewust van je eigen onbewuste.

Kinderen met faalangst twijfelen aan hun eigen capaciteiten. De spanning zorgt ervoor dat de prestaties veel minder zijn dan mag worden verwacht.

Soorten faalangst

We onderscheiden meerdere soorten faalangst:

Cognitieve faalangst

Dit is faalangst, die te maken heeft met het leren. Iemand met cognitieve negatieve faalangst is bang voor negatieve beoordelingen en de gevolgen daarvan. Hierbij denk je dan aan activiteiten zoals een examen, proefwerk, spreekbeurt, beurt voor (in) de klas.

Positieve faalangst

Bij positieve faalangst is het resultaat goed, alleen zijn er negatieve gedachten vóór het presteren. Tijdens het presteren komen de positieve gedachten die betrekking hebben op de huidige taak. Na het leveren van de prestaties keren de negatieve gedachten weer terug. Een dergelijke combinatie van negatieve en positieve gedachten leidt vaak tot goede prestaties, maar kost erg veel energie, hier kunnen weer lichamelijke klachten uit voortkomen.

Sociale faalangst

Sociaal angstige kinderen hebben de behoefte aan het verwerven van een veilige eigen plaats. Kinderen trekken op school de hele dag met elkaar op in groepsverband. Voor de een is dat heerlijk, een ander kan het als behoorlijk minder prettig ervaren. Voor een doelmatige manier met klasgenoten optrekken is heel wat nodig. Je moet bijvoorbeeld weten hoe je een beetje meetelt in de groep. Of juist hoe je niet al te veel opvalt. Ook kunnen kinderen het moeilijk vinden om uitleg bij de leerkrachten te vragen of een antwoord te geven bij een vraag van de leerkracht.

Motorische faalangst

Er zijn kinderen, die er vreselijk tegenop zien iets met hun lijf te moeten doen. Bij het buitenspelen, voetballen op straat verloopt alles soepeltjes, maar tijdens gymlessen of wedstrijden, al is het maar een oefenwedstrijdje, zorgt de angst om te mislukken voor een verkrampte houding.

Herkennen van faalangst

Door goed te kijken en te luisteren naar leerlingen kunnen leerkrachten signalen opvangen, die wijzen op faalangst. Sommige kinderen hebben niet alleen last van lichamelijke reacties, zoals buikpijn, zweten, misselijkheid en hoofdpijn, maar ontwikkelen ook een eigen manier van denken.

Negatief zelfbeeld

  • Deze kinderen denken negatief over zichzelf en hun capaciteiten. Bij een toets wordt vaak gekeken naar datgene wat zij niet kunnen.
  • Zij zijn vaak met hun gedachten bij de eerstvolgende toets, waardoor er nauwelijks ruimte is om aan iets anders te denken.
  • Zij denken vaak de enige te zijn die last hebben van faalangst. Daardoor houden zij dit soort gevoelens vaak voor zichzelf.
  • Ze besteden veel tijd en energie om te bedenken hoe ze mislukkingen kunnen voorkomen. Een voorbeeld hiervan is dat zij een te eenvoudig of juist te moeilijk werkje pakken. Bij beiden kun je, bij mislukking, altijd een eenvoudige verklaring geven.

Niet alle kenmerken afzonderlijk wijzen op faalangst, maar in combinatie met andere kenmerken kunnen ze aanleiding geven hieraan te denken.

Gedragskenmerken in de schoolsituatie

  • Weinig moed om te leren,
  • Blokkeren als er iets gevraagd wordt,
  • Zich afhankelijk van de leerkracht gedragen en de neiging hebben precies uit te voeren wat hen is opgedragen,
  • Onvermogen de sympathie van andere kinderen en leerkrachten te verwerven,
  • Hyperactief gedrag (friemelen),
  • Vermijden van oogcontact,
  • Klamme handen,
  • Blozen,
  • Gevoelig voor het werkklimaat in de klas,
  • Gevoelig voor de verwachtingen die –belangrijke- anderen van hen hebben,
  • Afkeer van alles wat onverwacht en nieuw is.

Persoonlijkheidskenmerken

  • Gebrekkig zelfvertrouwen,
  • Negatief zelfbeeld,
  • Angst voor controleverlies,
  • Beperkt gedragsrepertoire, sociaal en cognitief,
  • Onveilig gehecht gedrag,
  • Gevoelens van eenzaamheid en verlatenheid.

Behoefte van faalangstige kinderen

  • Behoefte aan overzicht; Opdracht in kleine stapjes geven, de kinderen hebben een afkeer van alles wat nieuw en onverwacht is.
  • Behoefte aan kennis over eigen prestaties; Feedback geven, ze voeren vaak precies uit wat de leerkracht heeft opgedragen.
  • Behoefte aan warme persoonlijke relaties; Ze zijn zeer gevoelig voor het werkklimaat in de klas. Fouten maken mag, ze functioneren beter als ze geen angst om te falen hebben.
  • Behoefte aan een persoon die als voorbeeld fungeert; Ze werken graag met iemand, die eigenschappen heeft die ze zelf ook zouden willen hebben. – Zelfconcept en het ideaalconcept.
  • Behoefte aan positieve verwachtingen; Ze zijn gevoelig voor de verwachtingen die anderen van hen hebben. Dus als de leerkracht een negatieve verwachting heeft, kan de leerling ook een negatieve verwachting ontwikkelen. Er ontstaat dan een negatief zelfbeeld.